Vrijstelling voor ondernemingsvermogen in de erfbelasting?
Vrijstelling voor ondernemingsvermogen in de erfbelasting nu ook van toepassing op privé vermogen?
Zo nu en dan zorgt een uitspraak in een fiscale procedure voor enige opschudding. Opschudding die zich niet beperkt tot de fiscale vakliteratuur, maar ook daarbuiten merkbaar is. De uitspraak van de Rechtbank Breda van 13 juli jongstleden is zo’n uitspraak. Fiscalisten, notarissen en andere juristen noemen de uitspraak opmerkelijk en zelfs De Telegraaf maakte er melding van. Het is ook nogal wat als een Rechtbank de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Successiewet in strijd acht met het discriminatieverbod van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens.
In de procedure draait het om de heffing van successierecht over de verkrijging door de enig erfgenaam van een voormalig landbouwondernemer. Deze verkrijging bestaat uit landbouwgrond, een aantal machines en een boerderij. Vermogen dat tot 2004 onderdeel vormde van een onderneming. Na de staking van de onderneming wordt de grond verpacht (overigens aan de erfgenaam in kwestie) en wordt het vermogen verder aangemerkt als privé vermogen. Op het moment van overlijden is er dus geen sprake meer van ondernemingsvermogen en dat betekent dat de erfgenaam geen beroep kan doen op de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Deze gelden immers alleen voor ondernemingsvermogen.
De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten houden in dat een deel van het ondernemingsvermogen is vrijgesteld (onder voorwaarden) van de heffing van successierecht. Omdat het overlijden plaats vindt in 2007 zijn de bepalingen van de Successiewet van dat jaar van toepassing. Destijds bedroeg de vrijstelling 75% van het ondernemingsvermogen. Een vrijstelling die de belanghebbende in deze procedure dus niet kan gebruiken. Hierdoor bedraagt de te betalen aanslag voor de belanghebbende ruim € 303.000, terwijl met toepassing van de vrijstelling slechts ongeveer € 63.000 betaald had moeten worden.
De belanghebbende is van mening dat dit verschil onredelijk en onrechtmatig is en stelt dat hier sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel, één van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bepaalt eenvoudig gezegd dat gelijke gevallen ook gelijk behandeld dienen te worden.
Ongetwijfeld tot ontzetting van de inspecteur kan de Rechtbank zich prima vinden in het standpunt van de belanghebbende. De Rechtbank vindt dat de Successiewet in beginsel geen onderscheid maakt tussen de verkrijging van ondernemingsvermogen en van privé vermogen. Althans, de parlementaire geschiedenis toont dat het de bedoeling van de Successiewet is om belasting te heffen over ‘al hetgeen krachtens erfrecht is verkregen’. Wat voor soort vermogen er wordt verkregen is dus niet van belang als het maar ‘krachtens erfrecht’ wordt verkregen. Met de introductie van een vrijstelling voor ondernemingsvermogen heeft de wetgever alsnog een onderscheid gecreëerd. Op zich acht de Rechtbank zo’n vrijstelling nog verdedigbaar, maar in 2005 is de vrijstelling behoorlijk verruimd (van 50% naar 75%). Deze verruiming creëert naar de mening van de Rechtbank een onderscheid waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging meer bestaat. Daarmee is er sprake van onaanvaardbare discriminatie van privé vermogen ten opzicht van ondernemingsvermogen. De Rechtbank oordeelt dat ook al verkrijgt belanghebbende geen ondernemingsvermogen, er niettemin toch sprake kan zijn van een verlaging van zijn aanslag waarbij rekening wordt gehouden met de vrijstelling van 75% van het verkregen vermogen.
Een forse tik voor de inspecteur en met mogelijk grote gevolgen. Niet voor niets heeft de belastingdienst inmiddels beroep aangekondigd. De discussie over de betekenis en de houdbaarheid van de uitspraak is in de fiscale wereld in volle hevigheid losgebarsten. Sommigen menen nu dat iedereen die vermogen erft een beroep kan doen op de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Zeker nu sinds 2010 de faciliteit verder is opgerekt tot een vrijstelling van 100% van het ondernemingsvermogen (bij ondernemingsvermogen tot € 1 miljoen, daarboven is 83% vrijgesteld). Als de 75%-vrijstelling al onaanvaardbare discriminatie is, zijn de huidige regels dat immers helemaal. Anderen stellen dat de Rechtbank ten onrechte op de stoel van wetgever is gaan zitten en daarmee haar boekje te buiten is gegaan. Dit zou betekenen dat een hogere rechter de Rechtbank zal terugfluiten en uitspraak teniet zal doen. Bovendien stellen sommigen vragen bij het feit dat één van de betrokken rechters in de fiscaliteit bekend staat als een uitgesproken tegenstander van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten.
Voor belastingplichtigen is vooral de praktische uitwerking van belang. Wat betekent de uitspraak nu precies? Kan iedere belastingplichtige die vermogen erft inderdaad de faciliteiten toepassen ongeacht de aard van dat vermogen? Zo ja, hoe zit dat dan met voorwaarden die verbonden zijn aan de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten? Bijvoorbeeld het verbod om binnen 5 jaar na de verkrijging het ondernemingsvermogen te verkopen. Wie toch binnen 5 jaar verkoopt moet alsnog afrekenen met de fiscus en erfbelasting betalen over het volledige vermogen. Betekent dit dan dat ook het privé vermogen tenminste 5 jaar moet worden aangehouden? De tekst van de uitspraak geeft hierop geen antwoord. Om meer praktische handreiking te krijgen zijn er inmiddels Kamervragen gesteld, maar de Minister heeft nog niet gereageerd. Vooralsnog lijkt het verstandig om ter behoud van rechten waar mogelijk bezwaar aan te tekenen tegen opgelegde aanslagen erfbelasting. Het lijkt er bovendien op dat de uitspraak ook van toepassing kan zijn op de schenkbelasting, dus is bezwaar tegen aanslagen schenkbelasting ook aan te raden.
Het zal verder duidelijk zijn dat als de belanghebbende ook de hogere rechters aan zijn zijde krijgt, dit gevolgen gaat hebben voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Een versobering van de regeling zal dan naar verwachting aan de orde zijn en dat is uiteraard geen goed nieuws voor ondernemers. Zij zullen hun nalatenschapsplanning dan opnieuw moeten (laten) beoordelen.
Vooralsnog laat een definitieve beslissing nog wel even op zich wachten, maar het mag duidelijk zijn dat wij de ontwikkelingen nauwlettend zullen volgen. Wij houden u op de hoogte. Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op.
Alex van den Kerkhoff
deWaardKramer belastingadviseurs
a.vandenkerkhoff@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
