deWaardKramer

Rechtstreeks naar inhoud gaan

Belast resultaat uit overige werkzaamheden:

daar is meer voor nodig dan gedacht.

Belastbaar inkomen kan uit verschillende bronnen afkomstig zijn. Soms is de bron duidelijk: wie in loondienst werkzaam is heeft belastbaar loon en wie een onderneming drijft heeft belastbare winst uit onderneming. Maar soms is de bron minder duidelijk en kan er discussie ontstaan over de vraag of er wel sprake is van belastbaar inkomen. Een vraag die logischerwijs door de belastingplichtige overwegend liever ontkennend, maar door de belastingdienst bij voorkeur bevestigend wordt beantwoord. Dergelijke discussies doen zich vooral voor als het gaat om belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. 

Meestal ziet deze discussie op resultaat uit de categorie “het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat”. Dat de wetgever met deze categorie vooral voordelen heeft willen belasten die zijn behaald met onroerende zaken, blijkt wel uit de voorbeelden die de wettekst zelf geeft. Het “uitponden van onroerende zaken” leidt tot belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.  Maar alles staat of valt met de vraag of de activiteiten die de belastingplichtige heeft moeten ondernemen om het voordeel te behalen “normaal, actief vermogensbeheer” te boven gaan.

Soms is dat wel duidelijk. Klassiek voorbeeld is de handige doe-het-zelver die een bouwval koopt, die bouwval eigenhandig opknapt en vervolgens met een winst weer van de hand doet. In de wet wordt “het in belangrijke mate door de belastingplichtige zelf verrichten van groot onderhoud of andere aanpassingen aan een zaak” zelfs expliciet als voorbeeld genoemd van activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan. Maar wat te doen met de belegger die een gewild pand koopt en later doorverkoopt met winst. Doet deze belegger aan meer dan normaal vermogensbeheer? De wet zegt dat wie voorkennis of bijzondere kennis gebruikt meer doet dan normaal vermogensbeheer en dus belast moet worden voor het behaalde voordeel. Maar wanneer is daar nu sprake van?

De belastingdienst is logischerwijs al snel van mening dat er bij een voordeel, behaald met een onroerende zaak, sprake is van een belast voordeel. Een beetje kennis van vastgoed en beleggen is vaak al voldoende. Uit een recent arrest van de Hoge Raad blijkt echter dat de belastingdienst ook wel eens te snel is met haar oordeel.    

We schrijven in deze zaak maart 2002 als een belastingplichtige een gebouw koopt om in september van datzelfde jaar dit gebouw te splitsen in negen appartementsrechten. Nog in datzelfde jaar verkoopt de belastingplichtige drie van deze appartementen. Uiteraard met winst. De belastingplichtige ziet zichzelf als handige belegger en geeft het gebouw dan ook als beleggingsvermogen aan in zijn aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur is een andere mening toegedaan. De inspecteur corrigeert de aangifte door de boekwinst, behaald bij de verkoop van de drie appartementen, op te nemen als resultaat uit overige werkzaamheden. Naar de mening van de inspecteur is er sprake van meer dan normaal vermogensbeheer. De belastingplichtige had namelijk de winst alleen maar kunnen behalen dankzij bijzondere voorkennis.  

Wat was namelijk het geval? Op het moment van de aankoop van het gebouw door de belastingplichtige was het gebouw al bewoond. De koper wist dat een aantal van de bewoners interesse hadden om de door hen gehuurde woning te kopen. De oude eigenaar van het gebouw had daar echter geen belangstelling voor gehad. Onder andere vanwege het feit dat daarvoor eerst kadastrale splitsing noodzakelijk was. Kennelijk was dit de oude eigenaar teveel moeite, maar de belastingplichtige dacht daar anders over. Hij had immers potentiële kopers. Dus toen hij het gebouw kocht voor de waarde in verhuurde staat, wist hij al dat hij winst zou maken doordat hij de appartementen zeker kon verkopen tegen vrije verkoopwaarde.

De inspecteur vindt dit een duidelijk voorbeeld van een belastbaar voordeel en vindt hiervoor steun bij zowel de Rechtbank als het Hof van Leeuwarden. Deze zijn met de inspecteur van mening dat alle activiteiten van de belastingplichtige gericht waren op het behalen van het voordeel. De belastingplichtige was zelf weliswaar niet beroepsmatig werkzaam in het vastgoed, maar had kennis van de markt. Waar nodig schakelde hij professionele hulp in, zoals een notaris en een makelaar. Het Hof verwijst bovendien naar de wetsgeschiedenis. Daarin is een voorbeeld besproken dat sterk lijkt op deze zaak. In dit voorbeeld noemt de Staatssecretaris het een duidelijk belast voordeel als een gebouw wordt gekocht voor de waarde in verhuurde staat en vervolgens (na splitsing) de appartementen afzonderlijk tegen de waarde vrij van huur worden verkocht. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat de zaak van de belastingplichtige hopeloos is.

Maar dan komt de zaak bij de Hoge Raad. De Hoge Raad is minder overtuigd van het gelijk van de inspecteur. Zij vindt niet dat er sprake is van bijzondere kennis, althans zij meent dat dit onvoldoende duidelijk is. Dat sommige huurders het idee hadden om hun appartement te kopen en dat er een verschil bestaat tussen de aankoopprijs van het gebouw in verhuurde staat en de vrije verkoopwaarde ervan vindt de Hoge Raad niet voldoende bijzondere kennis. Dat had iedereen met een beetje zakelijk inzicht kunnen weten. Ook spreekt tegen de inspecteur dat de drie in 2002 verkochte appartementen helemaal niet aan bestaande huurders werden verkocht, maar aan derden. Zoveel voordeel had de belastingplichtige dus niet van het feit dat hij wist dat sommige huurders hun appartement wilden kopen.

De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van het Hof en verwijst de zaak voor nieuwe behandeling. Dit betekent dat de inspecteur meer feiten naar voren zal moeten brengen, waaruit blijkt dat er wel degelijk sprake is geweest van meer dan normaal vermogensbeheer. Meer specifiek: hij zal moeten aantonen dat de kennis van de belastingplichtige echt voldoende bijzonder is. De kans lijkt groot dat dit niet gaat lukken en dat de inspecteur uiteindelijk bakzeil zal moeten halen. Het belang van de uitspraak is dat de Hoge Raad de lat aanzienlijk hoger heeft gelegd als het gaat om het bepalen van de belastbaarheid van een voordeel als resultaat uit overige werkzaamheden dan tot nu toe aangenomen werd.

Deze uitspraak biedt dan ook mogelijkheden voor belastingplichtigen in vergelijkbare situaties. Er is dus minder snel sprake van belastbaarheid dan de belastingdienst zou willen. Reden om niet zomaar een correctie van de belastingdienst te accepteren. De vraag is of de wetgever blij is met deze ontwikkeling, gezien het genoemde voorbeeld uit de kamerstukken. In de vakliteratuur is er dan ook al opgemerkt dat wellicht een wetswijziging aan de orde zal zijn om de uitspraak van de Hoge Raad te omzeilen. Totdat het zover is zal de belastingdienst echter duidelijk beter haar best moeten doen om tot belastingheffing te komen dan tot dusver aangenomen werd.

                                                             Alex van den Kerkhoff
                                                             deWaardKramer belastingadviseurs
                                                             a.vandenkerkhoff@dewaardkramer.nl 

Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.

Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan

Cliënt Online
Twitter