Bedrijfsopvolging en de successiewet:
leuker konden ze het niet maken, makkelijker eigenlijk ook niet.
Al voordat de successiewet door Staatssecretaris De Jager onder handen werd genomen en de Schenk- en erfbelasting zijn intrede deed, bestond er een fiscale faciliteit voor de vererving van ondernemingsvermogen. De wetgever vond het belangrijk om de continuïteit van ondernemingen te beschermen bij het overlijden van de ondernemer/aandeelhouder. Immers, als het vermogen van de onderneming zonder meer in de belastingheffing betrokken zou worden bij overlijden van de ondernemer/aandeelhouder, zouden de erfgenamen het vermogen van die onderneming misschien moeten aanspreken om de aanslag successierecht te kunnen betalen. Dat zou, afhankelijk van de hoogte van die aanslag, natuurlijk best heel nadelige financiële gevolgen voor de onderneming kunnen hebben. Om die reden kende de Successiewet dus ook vóór 1 januari 2010 al een gedeeltelijke vrijstelling van ondernemingsvermogen.
De vrijstelling houdt in dat bij het berekenen van de verschuldigde successierechten een deel van het ondernemingsvermogen buiten beschouwing mag worden gelaten. Toen de vrijstelling werd geïntroduceerd was dit gedeelte slechts 30% van het ondernemingsvermogen, maar in recente jaren werd dit percentage al substantieel verhoogd. Per 1 januari 2005 ging de vrijstelling naar 60% en vanaf 1 januari 2007 gold zelfs een vrijstelling van 75% van het ondernemingsvermogen. Simpel gesteld kon dus (onder voorwaarden) bij het overlijden van een ondernemer/aandeelhouder 75% van het ondernemingsvermogen onbelast over op de erfgenamen. Een forse vrijstelling waar dan ook in de estate planningpraktijk stevig op werd ingespeeld. Het belang om een structuur zodanig in te richten dat bij een eventueel overlijden de faciliteit voor het ondernemingsvermogen zo optimaal mogelijk gebruikt kon worden was immers duidelijk genoeg.
Nadelen waren er natuurlijk ook, want de wettelijke regeling blonk niet uit in helderheid. Er leefden veel vragen in de praktijk over wanneer de faciliteit nu wel en niet van toepassing was en de rekensom om te komen tot het juiste, vrijgestelde vermogen leek soms hogere wiskunde te zijn. Dit was voor de wetgever aanleiding om bij de herziening van de Successiewet ook de bedrijfsopvolgingsregeling onder handen te nemen. In het belang van de belastingplichtige, maar zeker ook in het belang van de belastingdienst. Door het toenemende belang van de vrijstelling en de ingewikkeldheid van de regeling stapelden de nog af te handelen successiedossiers met ondernemingsvermogen zich op.
Het resultaat van de herziening staat sinds 1 januari 2010 in de wet te lezen en het moet gezegd: anders is het, maar eenvoudiger? Dat is nog maar de vraag.
Zo op het eerste gezicht lijkt het allemaal wel heel simpel. Na eerst nog voorzichtig te hebben geopperd dat de vrijstelling omhoog kon naar 90% kwam in de loop van de behandeling van het wetsvoorstel de Staatssecretaris plotseling met een vrijstelling van 100% naar voren. Deze volledige vrijstelling geldt echter alleen voor ondernemingsvermogen tot maximaal € 1.000.000. Boven dat miljoen geldt een vrijstelling van 83% van de waarde van het ondernemingsvermogen. De resterende 17% is dan “gewoon” belast, maar hiervoor is uitstel van betaling mogelijk. Een simpel cijfervoorbeeld uitgaande van een ondernemer met één erfgenaam: een onderneming is € 2.000.000 waard, hiervan is € 1.000.000 volledig vrijgesteld. Van de resterende € 1.000.000 is 83% vrijgesteld (€ 830.000) en 17% belast (€ 170.000), zodat uiteindelijk € 1.830.000 is vrijgesteld (feitelijk 91,5%).
Overigens is de vrijstelling in principe voorwaardelijk (dat was al zo onder de oude regels). De verkrijger van de onderneming dient deze nog minimaal vijf jaren in stand te houden voordat de vrijstelling definitief is. Wordt de onderneming tussentijds verkocht, dan dient alsnog te worden afgerekend met de fiscus over het vrijgestelde ondernemingsgedeelte.
Hoewel bovenstaand rekenvoorbeeld vrij eenvoudig is, ziet het er naar uit dat de berekening in de praktijk niet altijd zo simpel zal zijn. Dat heeft alles te maken met het feit dat bij de bepaling van de waarde van het ondernemingsvermogen de wetgever het begrip “objectieve onderneming” in de Successiewet heeft geïntroduceerd. Aangezien dit begrip voor de Successiewet een nieuw begrip is, zou je verwachten dat een dergelijke introductie gepaard gaat met een duidelijke toelichting, maar niets is minder waar. De Staatssecretaris heeft volstaan met geven van een aantal voorbeelden, maar juist die voorbeelden maken duidelijk dat er over de vraag wat een objectieve onderneming is flink gediscussieerd gaat worden tussen belastingplichtigen en belastingdienst.
Wat te denken bijvoorbeeld van een vennootschap onder firma, waarbij één van de vennoten een pand ter beschikking stelt aan de vennootschap. De objectieve onderneming bestaat in de visie van de wetgever uit de vennootschap inclusief het pand, ook al wordt dit door één van de vennoten buiten de vennootschap gehouden. Als de andere vennoot (die zonder pand dus) overlijdt dient voor de berekening van de omvang van de vrijstelling ook rekening te worden gehouden met de waarde van dat ter beschikking gestelde pand. Een pand dat feitelijk niet eens tot het ondernemingsvermogen van de overleden vennoot behoort.
En wat is nu de status van een onderneming bestaande uit de exploitatie van onroerende zaken? De Staatssecretaris wil het liefst dit soort gevallen buiten de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling houden. Maar of dit standpunt fiscaal juist is? Niet in alle gevallen. Daar valt dus over te twisten en het belang is groot genoeg om dat ook te doen.
Overigens is de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet vanaf 1 januari 2010 ook opengesteld voor ter beschikking gesteld vermogen. Wanneer bijvoorbeeld een aandeelhouder een pand ter beschikking stelt aan zijn B.V., kwamen tot 1 januari alleen de aandelen voor de bedrijfsopvolgingsregeling in aanmerking. Over het aan de B.V. ter beschikking gestelde pand moest worden afgerekend. Nu komen beide voor de vrijstelling in aanmerking, hetgeen natuurlijk wel een verbetering is.
Dan is er nog het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en beleggingsvermogen. Onder de oude wetgeving gold dat als er naast ondernemingsvermogen ook beleggingsvermogen aanwezig was, er van dit laatste vermogen 15% mocht worden meegenomen onder de vrijstelling. Omdat de wetgever vindt dat de vrijstelling alleen voor materiële ondernemingen (“echte” ondernemingen of “rokende schoorstenen”) dient te gelden, is dat percentage flink ingeperkt. Vanaf 1 januari mag nog slechts beleggingsvermogen worden meegenomen tot maximaal 5% van de waarde van het ondernemingsvermogen.
Bovendien komt beleggingsvermogen dat korter dan één jaar vóór overlijden van de erflater in de vennootschap is ingebracht helemaal niet aanmerking voor de vrijstelling. Bij schenking wordt deze periode zelfs opgerekt tot een periode van vijf jaar vóór de schenking.
Dat de wetgever de bedrijfsopvolgingsregeling wilde aanpassen om zo bestaande onduidelijkheden en moeilijkheden op te ruimen was een goed plan. Er waren ook voldoende verbeterpunten aan te wijzen. Helaas blijkt de nieuwe regeling naast verbeteringen ook weer nieuwe onduidelijkheden en moeilijkheden te hebben geïntroduceerd. Voor de estate planners onder ons leuk puzzelwerk, maar voor de ondernemers/aandeelhouders natuurlijk minder prettig. Wie optimaal gebruik wil maken van de vrijstelling bij vererving of schenking zal zijn bedrijfsstructuur nog eens goed moeten bekijken. Het belang is groot genoeg om hier eens rustig met uw adviseur over te praten.
Meer weten over de wijzigingen in de Successiewet?
Bestel de brochure via de website www.dewaardkramer.nl
Alex van den Kerkhoff
deWaardKramer belastingadviseurs
a.vandenkerkhoff@dewaardkramer.nl
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan