De lokroep van het vrijgesteld beleggen
Toen vorige maand tijdens Prinsjesdag de regering haar plannen voor de komende periode bekend maakte leidde dit tot veel gemor. Uit het koffertje van Wouter Bos kwamen tot ergernis van velen vooral bezuinigingen en extra heffingen; van accijnsverhogingen tot de introductie van een vliegbelasting. In de media ontstond zo een beeld van lastenverzwaring: het leven wordt de komende jaren duurder. Toch zijn niet alle veranderingen die in het komende jaar zullen worden doorgevoerd zuur te noemen. Tussen alle verhogingen en verzwaringen door wordt ook nog een zoet wetsvoorstel ingevoerd. Tijd om kennis te maken met de vrijgestelde beleggingsinstelling (of in vaktermen: de VBI).
Toegegeven, de plannen voor de invoering van de VBI hebben eigenlijk niet zoveel met Prinsjesdag te maken. De wetvoorstellen op dit punt zijn al langer bekend. Al in 2006 wordt gesproken over een nieuwe aanpak voor beleggingsinstellingen. In het kader van haar internationale concurrentiepositie moet Nederland weer interessant worden gemaakt als vestigingsplaats voor grote beleggingsfondsen. Die gedachte ligt ten grondslag aan de introductie van het wetsvoorstel Vrijgestelde Beleggingsinstellingen. Hoewel het wetsvoorstel dus vooral bedoeld is als lokkertje voor het grote geld in de vorm van de grote, wereldwijd opererende beleggingsfondsen, heeft zich in adviesland inmiddels een ware hype ontwikkeld rond de VBI. De VBI kan namelijk ook erg aantrekkelijk uitpakken voor de directeur grootaandeelhouder en zijn B.V. (de dga). Banken en belastingadviseurs zijn dan ook al een tijdje volop bezig hun cliënten-dga's warm te maken voor de VBI. Maar wat houdt een VBI nu eigenlijk in?
Een VBI is een rechtspersoon (een N.V., naamloze vennootschap) met vermogen. Dit vermogen wordt gebruikt om mee te beleggen. De resultaten van die beleggingen worden in principe belast met vennootschapsbelasting, maar speciaal voor de VBI wordt een uiterst aantrekkelijk tarief ingevoerd. 0%! De beleggingsresultaten van de VBI blijven dus onbelast! Als de VBI haar resultaten vervolgens doorsluist naar haar aandeelhouders gelden de normale regels. Een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang betaalt 25% inkomstenbelasting over datgene wat de VBI aan hem uitkeert.
Het voordeel is natuurlijk duidelijk: door te beleggen via een VBI bespaart de aandeelhouder zich de vennootschapsbelasting. Volgend jaar bedraagt het maximale tarief in de vennootschapsbelasting 25,5%, dus dat kan een aantrekkelijke besparing zijn.
Het bovenstaande is natuurlijk wel een heel simpele weergave van de gang van zaken, want zoals het bij fiscale regelgeving hoort is ook de VBI omgeven door een woud van voorwaarden en eisen.
Om te beginnen moet een VBI dus een N.V. zijn. Op dit moment werken veruit de meeste dga's via een B.V. Op zich is dit juridisch allemaal wel aan te passen, de notaris helpt u graag, maar fiscaal vormt de overgang van B.V. naar VBI een afrekenmoment. De B.V. zal moeten afrekenen over alle stille reserves die aanwezig zijn. Als de B.V. alleen geld in kas heeft zal dit niet zo'n probleem zijn, maar als de B.V. al een beleggingsportefeuille heeft kan daar natuurlijk best een aardige boekwinst in zitten. Bij de overgang naar de VBI zal daarover moeten worden afgerekend (tegen het vennootschapsbelastingtarief). Om die reden is een VBI ook vooral aantrekkelijk voor zogenaamde kasgeld-B.V.'s. Vennootschappen met nagenoeg uitsluitend liquide middelen als vermogen.
Verder moet de VBI vermogen hebben "ter collectieve belegging". Dit houdt onder andere in dat er meerdere aandeelhouders moeten zijn. In de behandeling van het wetsvoorstel is een minimum van twee aandeelhouders verplicht gesteld. Dit houdt dus in dat de traditionele directeur- enig aandeelhouder op zoek zal moeten naar een medeaandeelhouder. Vaak is er altijd wel een echtgenoot of echtgenote voorhanden, maar er moet dus een tweede aandeelhouder zijn.
Aan de beleggingen zelf worden ook allerlei eisen gesteld. Zo moeten de beleggingen verhandelbaar zijn en moet er voldoende aan risicospreiding worden gedaan. Ook belangrijk om te weten: een VBI mag ook niet beleggen in vastgoed, ook niet indirect via fondsen die beleggen in vastgoed. Verder mag de VBI maar beperkt geld lenen en zelf geen geld uitlenen. Het is de bedoeling dat de belastingdienst controle zal uitoefenen of een VBI wel op de juiste manier belegt.
Dan is er nog een addertje onder het gras voor wat betreft de belastingheffing. Voor de VBI geldt weliswaar een vennootschapsbelastingtarief van 0%, maar de VBI wordt wel altijd geacht dividend uit te keren. Zoals al aangegeven, is dit dividend voor de dga belast met 25% inkomstenbelasting.
Ook als er niet daadwerkelijk een dividend wordt uitgekeerd, wordt er fiscaal toch een (fictief) dividend in aanmerking genomen (voor een bedrag van 4% van het belegde vermogen). Als de VBI dus € 2.000.000 belegd heeft, betekent dit fictief dividend van € 80.000 toch een inkomstenbelastingheffing van € 20.000.
Het fictieve dividend van 4% is ook een absoluut minimum. Als er wel echt dividend wordt uitgekeerd, maar dit is lager is dan 4%, wordt er alsnog een fictief dividend in aanmerking genomen van het verschil tussen het werkelijk dividend en 4%.
Klein voordeel: het fictief rendement wordt opgeteld bij de verkrijgingsprijs van de aandelen. Bij een eventuele verkoop of liquidatie zal niet nog eens over dit bedrag hoeven te worden afgerekend.
Een tweede addertje is het feit dat de VBI eventuele betaalde dividendbelasting (en buitenlandse bronheffingen) niet kan terugvorderen. Er is immers geen vennootschapsbelasting om deze heffing mee te verrekenen.
Ook goed om bij na te denken in dit kader is de wetenschap dat beleggingswinsten weliswaar onbelast blijven, maar beleggingsverliezen dus niet verrekend kunnen worden.
Wie een VBI wil starten zal zich moeten melden bij de belastingdienst. Deze zal een goedkeurende verklaring moeten afgeven, waarbij beoordeeld wordt of aan alle voorwaarden is voldaan. Ook de samenstelling van de beleggingsportefeuille zal dan op haar merites worden beoordeeld.
Als een VBI eenmaal een goedkeuring heeft is het overigens niet alsnog vrijheid-blijheid. Het is de intentie van de wetgever om jaarlijks te gaan beoordelen of een VBI nog wel aan de voorwaarden voldoet. Als dat niet het geval blijkt, verliest de VBI haar status (en dus feitelijk de vrijstelling voor de vennootschapsbelasting) voor dat jaar. Omdat er sprake zal zijn van een jaarlijkse beoordeling, kan in het volgende jaar dus weer wel aan de voorwaarden zijn voldaan en kan de vrijstelling dan weer van toepassing zijn.
Dat een VBI aantrekkelijk kan zijn voor een dga mag waar zijn, maar dat er nog de nodige haken en ogen aan zitten is ook duidelijk. Zoals met alle nieuwe regelgeving is nog niet precies duidelijk hoe scherp de belastingdienst de naleving van alle voorwaarden zal beoordelen. Met name van de voorwaarden ten aanzien van de aard van de beleggingen is niet op voorhand precies duidelijk wat nu wel en wat nu niet mag.
Ook de kosten van het opzetten en instandhouden van een VBI kunnen aardig oplopen. De notaris, de belastingadviseur, de bank, allemaal zullen ze aan het werk gezet moeten worden.
Verder heeft een VBI ook consequenties ten aanzien van estate planning. Als vennootschap met uitsluitend beleggingen zullen de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten (vrijstelling van 75%) niet op de VBI van toepassing zijn. Voor deze faciliteiten is immers de aanwezigheid van een onderneming vereist. Een VBI zal dus met haar gehele vermogen in de successieheffing worden betrokken.
Het is dan ook van groot belang om ondanks alle enthousiasme in de advieswereld niet zomaar op de trein van de VBI te springen. Laat u eerst goed en duidelijk adviseren over de vraag of een VBI in uw situatie wel interessant genoeg is. "Bezint eer gij begint is" is een oud, maar nog steeds actueel spreekwoord. Zeker bij nieuwe fiscale wetgeving.
Alex van den Kerkhoff
deWaardKramer belastingadviseurs
a.vandenkerkhoff@dewaardkramer.nl
