Zekerheid .....
voor alles.
Het is belangrijk voor een directeur grootaandeelhouder om de relatie met zijn vennootschap zakelijk te houden. Dit lijkt een voor de hand liggende opmerking, maar in de praktijk wordt hier lang niet altijd uitvoering aan gegeven. Veel directeuren grootaandeelhouders leven toch meer vanuit de "vestzak-broekzak"-gedachte. Het vermogen van de vennootschap wordt door deze directeuren beschouwd als eigen geld waar ze mee kunnen doen wat ze willen. Dat juristen hier een heel andere mening over hebben wordt meestal genegeerd. Alleen als het slecht gaat met de zaken praten deze directeuren over het vermogen van de B.V. als iets wat los staat van hun privé-vermogen. Ze verschuilen zich dan graag achter de beperkte aansprakelijkheid van de aandeelhouder in een B.V. Maar juist dan kan de directeur grootaandeelhouder tegen onaangename verrassingen aanlopen als hij in het verleden de zakelijkheid van zijn relatie met de B.V. niet voldoende in acht heeft genomen. Een voorbeeld is de borgstelling.
Veel directeuren grootaandeelhouders krijgen met de volgende situatie te maken. De vennootschap heeft geld nodig voor een investering en klopt hiervoor aan bij een bank. De bank is ook de beroerdste niet en wil dat geld best lenen, maar stelt wel een belangrijke voorwaarde: de directeur grootaandeelhouder dient zich persoonlijk borg te stellen voor de lening. De meeste directeuren zetten zonder veel nadenken hun handtekening en dat is ook wel te begrijpen want tenslotte heeft de zaak het geld gewoon nodig. Toch is het belangrijk te bedenken dat het niet zomaar een handtekening is die gezet wordt. Als de zaken namelijk niet goed gaan en de bank ziet aankomen dat zij haar vordering op de vennootschap wel eens zou moeten afschrijven, kan zij op grond van die handtekening aankloppen bij de directeur grootaandeelhouder. Met andere woorden, de directeur grootaandeelhouder moet datgene wat de bank niet bij de vennootschap kan halen uit zijn privé-vermogen bijleggen. Een lelijke inbreuk op de beperkte aansprakelijkheid dus.
Nu kan in deze situatie de fiscaliteit een pleister op de wonde zijn. Het verlies wat de directeur grootaandeelhouder leidt kan aftrekbaar zijn voor de inkomstenbelasting en ook nog eens in box 1 tegen progressief tarief. Dit vindt zijn oorzaak in de zogenaamde terbeschikkingstellingsregeling. Als de directeur door de bank wordt aangesproken en een bedrag moet betalen, krijgt hij namelijk formeel een vordering op de vennootschap (de zogenaamde regresvordering). Hij heeft immers een betaling gedaan die eigenlijk door de vennootschap gedaan had moeten worden. Zo´n vordering op de vennootschap waarvan men directeur grootaandeelhouder is, kwalificeert als ter beschikking gesteld vermogen en wordt in de inkomstenbelasting opgenomen in box 1. De inkomsten (denk aan de rente) zijn belast en er dient een balans te worden opgesteld van de terbeschikkingstelling met daarop de vordering. De fiscale grap zit hem in de waardering van die vordering. De Staatssecretaris heeft namelijk goedgekeurd dat een regresvordering mag worden opgenomen voor het bedrag dat de directeur feitelijk heeft moeten betalen aan de bank. Laten we zeggen dat dit bedrag € 25.000 was. Op de openingsbalans van de terbeschikkingstelling (die opgemaakt wordt als de directeur het geld betaald) komt dus een vordering van € 25.000 te staan. Maar dan moeten we ons bedenken waarom de directeur dit bedrag eigenlijk moest betalen, namelijk om de eenvoudige reden dat de vennootschap dit niet kon betalen. De directeur heeft dus een vordering op zijn vennootschap gekregen die goed beschouwd waardeloos is. Als de vennootschap immers de bank niet kan betalen, waarom zou dan de directeur wel betaald kunnen worden. De eerste actie na het vaststellen van de openingsbalans wordt dan ook het afboeken van de waardeloze vordering. Het verlies bedraagt dan € 25.000 en komt als negatief terbeschikkingstellingsresultaat in de aangifte inkomstenbelasting terecht. Daarmee ontstaat dus de aftrekpost in box 1.
Zoals gezegd kan dit dus een pleister op de wonde zijn, maar dan komt de al genoemde zakelijkheid om de hoek kijken. De fiscus stelt zich namelijk op het standpunt dat er bij een borgstelling zakelijk gehandeld dient te worden. Een willekeurige derde zou zich immers ook niet zomaar borgstellen voor een lening als daar niet iets tegenover zou staan. Met andere woorden: voor een borgstelling die wordt aangegaan voor een lening van de B.V. zal de directeur een vergoeding moeten vragen. Doet hij dat niet dan loopt hij het risico dat de fiscus een eventueel later opkomend verlies als de borg wordt ingeroepen niet zal accepteren. Geen risico nemen en een vergoeding vragen dus. De vraag is natuurlijk wat een zakelijke vergoeding is. De praktijk gaat daarbij uit van 1% per jaar. Deze vergoeding is voor de vennootschap aftrekbaar, maar voor de directeur grootaandeelhouder belastbaar in box 1. Dat laatste is natuurlijk een nadeel, maar het kunnen aftrekken van het eventuele verlies weegt daar over het algemeen wel tegenop. Als we het bedrag van ons voorbeeld (€ 25.000) weer even gebruiken, zou het rekenen van een vergoeding van 1% jaarlijks een vergoeding van € 250 betekenen. Als we uitgaan van het hoogste inkomstenbelastingtarief (52%) zou hierover € 130 belasting verschuldigd zijn. Daarbij laten we nog buiten beschouwing dat de vergoeding aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting. De eventuele aftrekpost van € 25.000 levert tegen hetzelfde inkomstenbelastingtarief een voordeel van € 13.000 op. Snelle rekenaars begrijpen dat het voordeel van de aftrekpost pas na 100 jaar niet meer opweegt tegen het nadeel van de belasting over de vergoeding. Dat risico kunnen de meeste directeuren grootaandeelhouders wel nemen.
Overigens kan de vergoeding beperkt blijven als de vennootschap goed bij kas zit. Een borgstelling is immers een vorm van zekerheidstelling. Bij een goed gevulde vennootschap zal de kans dat de directeur grootaandeelhouder wordt aangesproken klein zijn. Het is dan ook logisch dat in dat geval hij voor zijn bereidheid om borg te staan ook een heel beperkte vergoeding ontvangt. De vergoeding hoeft ook niet echt betaald te worden. Er kan ook verrekening in de rekening-courant van de directeur grootaandeelhouder plaats vinden. Als er maar een vergoeding is vastgesteld, want het allerbelangrijkste blijft toch: hou het zakelijk.
Alex van den Kerkhoff
deWaardKramer belastingadviseurs
a.vandenkerkhoff@dewaardkramer.nl
