Een fiscaal steuntje in de rug ....
voor ouders met studerende kinderen.
Kinderen kosten veel geld. Er zal geen ouder zijn die dit leest en deze uitspraak niet volmondig zal bevestigen. Het begint al bij hun geboorte en eindigt pas als ze het huis uit gaan. Als u geluk heeft tenminste, want gaat uw kind uit huis om te studeren blijft financiële hulp van uw kant gewenst. Zo'n studiebeurs is tegenwoordig immers nauwelijks voldoende om de benodigde studieboeken te bekostigen. In al die dure jaren hoeft u overigens geen hulp te verwachten van de fiscus in de vorm van een aftrekpost voor kosten van levensonderhoud. De wet stelt dat zolang er recht is op kinderbijslag of studiefinanciering er ook geen recht is op fiscale aftrek. Tot voor kort weigerde de fiscus echter ook aftrek te verlenen in gevallen waarin geen recht meer bestond op studiefinanciering (of kinderbijslag). Gelukkig voor vele ouders heeft de Hoge Raad met een recente uitspraak aan deze praktijk een einde gemaakt.
De zaak was aangespannen door een betrokken vader die zijn dochter financieel door haar studie heen hielp. De dochter volgde een studie aan de universiteit, maar deed daar langer over dan vier jaar. Daarmee verloor zij haar aanspraak op de zogenaamde basisbeurs, zoals deze in het kader van de studiefinanciering werd verleend. Pa voelde zich geroepen om bij te springen en maakte geld over aan zijn dochter om haar in staat te stellen in haar levensonderhoud te voorzien. Hij wilde immers graag dat zij haar studie zou afmaken. In zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2000 voerde pa vervolgens een aftrekpost op wegens gemaakte kosten voor het onderhouden van zijn dochter.
De inspecteur schrapte deze aftrek. Kosten gemaakt om te voorzien in levensonderhoud kunnen immers alleen voor aftrek in aanmerking komen als de persoon die onderhouden wordt behoeftig is. Nu had de dochter in kwestie een eigen inkomen in het jaar 2000 van ongeveer ƒ 6.150 (€ 2.790). Op grond daarvan zou je natuurlijk kunnen zeggen dat de dochter het bepaald niet breed had, maar de inspecteur keek verder dan zijn neus lang was. Hij wees in zijn betoog op de mogelijkheid die de dochter had om een lening af te sluiten bij de Informatie Beheer Groep, de uitvoerende instantie van de studiefinanciering. Hij rekende even snel uit dat de dochter via die Informatie Beheer Groep een bedrag van ƒ 12.000 (€ 5.445) kon lenen en stelde vervolgens dat er daarom geen sprake was van behoeftigheid bij de dochter. Dat de dochter er zelf voor had gekozen om geen gebruik te maken van de mogelijkheid van een lening was voor de inspecteur geen argument. De mogelijkheid bestond en dat was voldoende voor hem om de aftrek te schrappen.
Pa stapte naar de rechter en gelukkig voor hem volgde het Hof de inspecteur niet. Dat iemand een lening kon aangaan was volgens het Hof niet voldoende om te stellen dat hij in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien. Ook al was er dan volgens de inspecteur sprake van zeer ruimhartige leningsvoorwaarden. De gedachte dat de dochter door het volgen van haar studie goede toekomstverwachtingen had, zodat ze met haar toekomstige goede inkomen de lening te zijner tijd makkelijk zou kunnen aflossen, was voor het Hof ook niet van belang. Het Hof vond dat de vader zich in alle redelijkheid genoodzaakt kon zien om zijn dochter financieel te ondersteunen en stond de aftrek toe.
De inspecteur gaf nog niet op. Hij wist zich immers gesteund door de Staatssecretaris, die dan ook cassatie aan liet tekenen tegen de uitspraak van het Hof bij de Hoge Raad. Deze zaak diende op 10 februari van dit jaar en opnieuw kreeg de vader gelijk. Ook de Hoge Raad vond het enkele feit dat de dochter geld had kunnen lenen onvoldoende om de aftrek te weigeren. De dochter had onvoldoende middelen om in haar eigen onderhoud te voorzien en het was niet meer dan redelijk dat haar vader haar hierbij ondersteunde.
Het belang van deze uitspraak voor de praktijk is duidelijk. Ondersteunt u studerende kinderen en kan er geen aanspraak meer worden gemaakt op kinderbijslag of studiefinanciering, dan kan er sprake zijn van een fiscale aftrekpost in de vorm van uitgaven voor levensonderhoud.
Overigens komen daarbij niet de werkelijke kosten voor aftrek in aanmerking. De wet kent vaste bedragen als aftrekpost, waarbij de hoogte van het bedrag afhankelijk is van de leeftijd van de kinderen. Voor kinderen ouder dan 18 jaar is het aftrekbare bedrag in principe vastgesteld op € 330 per kwartaal. U moet daarvoor uw kind "in belangrijke mate onderhouden". Daarvan is sprake als uw kind deels in zijn eigen onderhoud kan voorzien en u per kwartaal tenminste € 386 aan kosten heeft ten behoeve van uw kind.
Komen de kosten van levensonderhoud van uw kind echter voor meer dan de helft voor uw rekening en bedragen die kosten tenminste € 660? Dan mag u als vaste aftrekpost € 660 per kwartaal opvoeren.
Onderhoudt u uw kind volledig en bedragen uw kosten tenminste € 990 per kwartaal, dan geldt voor u een vaste aftrek van € 990 per kwartaal.
Tot slot nog een waarschuwing. Wees voorbereid op vragen van de fiscus. Zorg ervoor dat u kunt aantonen dat u daadwerkelijk geld heeft overgemaakt aan uw kind. Betaal dus bij voorkeur via de bank of de giro. Heeft u kosten voor uw kind betaald: zorg dat u de bonnen nog heeft als de inspecteur daar om vraagt.
Zoals hierboven aangegeven is de aftrek afhankelijk van de mate waarin u uw kind ondersteunt. Op vragen van de fiscus moet u dit cijfermatig kunnen onderbouwen. Zonder goede onderbouwing kan de fiscus uw aftrek lelijk de das om doen, maar dit geldt eigenlijk voor al uw aftrekposten.
Alex van den Kerkhoff
deWaardKramer belastingadviseurs
a.vandenkerkhoff@dewaardkramer.nl
