Controleer de identiteit van uw nieuwe werknemer
Wanneer u een nieuwe werknemer aanneemt, bent u verplicht de identiteit van deze persoon vast te stellen vóór de 1e werkdag. Om u te helpen, heeft de overheid een stappenplan ontwikkeld.
Het 5-stappenplan
Het stappenplan bestaat uit de volgende 5 stappen:
- Vraag de werknemer om een origineel en geldig identiteitsbewijs te laten zien, zoals een paspoort of een identiteitskaart.
Let op!
Een rijbewijs voldoet niet, evenals een kopie van een identiteitsbewijs. De werknemer moet u echt een origineel bewijs tonen. - Heeft de werknemer niet de Nederlandse nationaliteit, ga dan na of hij wel in Nederland mag werken. Dit kunt u bijvoorbeeld zien aan de arbeidsmarktaantekening aan de achterzijde van een Nederlands vreemdelingendocument.
- Controleer het identiteitsbewijs op echtheidskenmerken. Bevat het document bijvoorbeeld een kinegram (transparante afbeelding die van kleur en vorm verandert door het document te kantelen), voelt u met uw vingertoppen een reliëf, komen de cijfer- en lettertekens exact overeen met die op uw eigen identiteitsbewijs?
- Controleer of het identiteitsbewijs bij uw werknemer hoort. Komt de persoon op de pasfoto overeen met de persoon voor u? Vraag de werknemer naar zijn leeftijd, zodat u dit kunt checken met de geboortedatum op het identiteitsbewijs.
- Maak tot slot een kopie van het identiteitsbewijs en bewaar deze in uw loonadministratie.
Tip:
Wilt u meer weten over dit stappenplan, kijk dan op www.weethoehetzit.nl. Kies vervolgens voor: Ik ben een werkgever > Ik wil eerlijk werken > Ik ga aan de slag met (nieuwe) werknemers > Identiteit vaststellen. Hier kunt u digitaal het 5-stappenplan doorlopen.
Identiteit niet vast te stellen?
Kunt u de identiteit van uw werknemer niet op de juiste manier vaststellen, dan moet u het anoniementarief toepassen. Doet u dit niet dan kan de Belastingdienst u een verzuimboete opleggen van maximaal € 4.920. Datzelfde geldt voor de werknemer, want ook hij is verplicht om zijn identiteit op de juiste manier door u te laten vaststellen.
Emiel Reijerse
deWaardKramer belastingadviseurs
e.reijerse@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Financiering export aantrekkelijker
Zakendoen met het buitenland wordt vanaf 1 juni dit jaar aantrekkelijker. De exportkredietgarantieregeling uit 2009 wordt namelijk herzien en dat geeft u als exporteur betere kansen om orders uit het buitenland binnen te halen.
Exportkredietverzekering
Het zal u maar overkomen. De afnemer in het buitenland van uw producten kan de rekening niet betalen. Tegen dit risico kunt u zich verzekeren in de vorm van een exportkredietverzekering. Er zijn verschillende vormen van exportkredietverzekeringen. Doorgaans betaalt u een premie over de omzet en is een dergelijke verzekering alleen bedoeld voor levering aan zakelijke klanten.
De overheid heeft destijds een garantieregeling in het leven geroepen om het voor banken en verzekeraars aantrekkelijker te maken het debiteurenrisico van ondernemers over te nemen.
De laatste jaren echter merken Nederlandse exporteurs dat het in vergelijking met buitenlandse concurrenten steeds moeilijker wordt om hun kapitaalgoederen die bestemd zijn voor het buitenland, gefinancierd te krijgen. Voor ondernemers in de sectoren als de scheepsbouw, aannemerij, baggerwerken, kassenbouw en handel in medische instrumenten is het belangrijk dat zij dergelijke producten blijven exporteren, ook als de risico's groter zijn, zo redeneert het demissionair kabinet.
Garantieregeling
In de nieuwe regeling kan exportfinanciering voor de lange termijn nu sneller tot stand komen. Investeerders krijgen een volledige garantie van de overheid en banken krijgen zekerheid over de terugbetaling van de lening. De regeling wordt door Atradius Dutch State Business (http://www.atradiusdutchstatebusiness.nl/overheidsregelingen) namens de overheid uitgevoerd en loopt in ieder geval tot en met 31 december 2014.
Tip:
Bij export loopt u uiteraard niet alleen betalingsrisico´s. Let ook op andere risico´s die u wellicht wilt afdekken, zoals het transportrisico, de productaansprakelijkheid en eventuele valutarisico’s.
Emiel Reijerse
deWaardKramer belastingadviseurs
e.reijerse@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Miljardenbezuinigingen op komst
Na het mislukte Catshuisberaad is het de partijen VVD en CDA nu alsnog gelukt om samen met de oppositiepartijen D66, GroenLinks en de Christenunie een bezuinigingsakkoord voor 2013 te bereiken. Het gaat om een ingrijpend pakket aan maatregelen (zo’n 14 miljard aan bezuinigingen) waar wij allemaal de lasten van gaan voelen. Maatregelen die noodzakelijk zijn om het begrotingstekort volgend jaar op 3% te brengen.
Een aantal bezuinigingen en hervormingen uit het pakket hebben wij voor u op een rij gezet:
Pensioen
De AOW-leeftijd gaat sneller omhoog; in 2013 met 1 maand. In de jaren erna nog sneller, zodat uiterlijk in 2019 de pensioengerechtigde leeftijd van 66 jaar wordt bereikt.
Arbeidsmarkt
WW en ontslagrecht worden hervormd. De WW-premie voor werkgevers gaat in 2013 tijdelijk omhoog en werkgevers gaan de eerste 6 maanden van de WW-uitkering betalen. Daar staat tegenover dat ontslagvergoedingen worden beperkt.
De onbelaste reiskostenvergoeding wordt afgeschaft. Datzelfde geldt voor het onbelaste privégebruik van leaseauto's.
Hogere inkomens (inclusief bonussen) worden in 2013 tijdelijk extra belast met een werkgeversheffing: een eenmalige crisisheffing. Daarnaast wordt de werkgeversheffing op excessieve vertrekbonussen verhoogd van 30 naar 75%.
Woningmarkt
De hypotheekrenteaftrek blijft gehandhaafd, maar vanaf volgend jaar moeten nieuwe hypotheken in 30 jaar volgens het annuïteitensysteem worden afgelost om nog in aanmerking te komen voor aftrek. De overdrachtsbelasting blijft 2%. De huren voor huurders met een inkomen tussen € 33.000 en € 43.000 mogen worden verhoogd met de inflatie vermeerderd met 1%.
De consumentenmarkt
Het algemene BTW-tarief van 19% gaat in oktober 2012 omhoog naar 21%. Deze verhoging wordt in 2013 gecompenseerd door een lagere inkomstenbelasting, in het bijzonder voor werkenden met een laag inkomen.
Let op!
Het hele pakket moet nog worden doorgerekend door het Centraal Planbureau. Bovendien heeft Nederland te maken met een demissionair kabinet en daarom is het nu nog niet duidelijk welke maatregelen de eindstreep halen. Het pakket staat in ieder geval vast totdat er na de verkiezingen een nieuw kabinet is gevormd. Uiteraard houden wij u de komende tijd op de hoogte.
Emiel Reijerse
deWaardKramer belastingadviseurs
e.reijerse@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Verplicht open kaart spelen met de fiscus
Om het juiste bedrag aan belasting te kunnen heffen heeft de belastingdienst informatie nodig. Informatie over het inkomen en het vermogen van een belastingplichtige. Een deel van die informatie krijgt de belastingdienst aangeleverd door derden (zoals werkgevers en banken), maar er zijn ook nog genoeg gegevens die de belastingdienst van de belastingplichtige zelf moet krijgen. Het zal niemand verbazen dat in de praktijk de belastingplichtige soms niet staat te springen om uit eigen beweging de belastingdienst te voorzien van de meest actuele en accurate gegevens. Om die reden kent de belastingwetgeving dan ook diverse informatieverplichtingen. Deze regels verplichten de belastingbetaler om, als de belastingdienst daar om vraagt, de benodigde gegevens aan te leveren. Maar dan moet de belastingdienst daar dus eerst om vragen. De actie moet van de belastingdienst komen; de belastingplichtige is veelal niet verplicht om uit zichzelf openheid van zaken te geven. Met ingang van 1 januari jl. zijn echter in de wet een aantal gevallen opgenomen waarin de belastingplichtige wel uit eigen beweging met de billen bloot moet.
Twee van die gevallen hebben te maken met de auto van de zaak. Om te beginnen kennen we sinds kort de nieuwe ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik’ voor bestelauto’s. Werknemers die uitsluitend zakelijk een bestelauto rijden, kunnen met een dergelijke verklaring een bijtelling in de loonbelasting en het bijhouden van een kilometeradministratie vermijden. Er is echter wettelijk vastgelegd dat het de verantwoordelijkheid van de werknemer is om bij veranderende omstandigheden de belastingdienst tijdig te informeren. Met veranderende omstandigheden wordt bedoeld: wanneer het gebruik van de auto verandert. Lees: wanneer een werknemer dus wel privé gebruik gaat maken van de bestelauto. De werknemer moet dan de belastingdienst verzoeken de eerder afgegeven verklaring in te trekken. Dat moet bovendien gebeuren vóórdat feitelijk privé gebruik plaats vindt. Om er zeker van te zijn dat werknemers de belastingdienst niet vergeten te informeren, wordt er een strafmaatregel gehangen aan het niet voldoen aan de gestelde informatieverplichting. Er kan een vergrijpboete worden opgelegd, die kan oplopen tot € 4.920.
Deze informatieverplichting is meteen ook maar doorgetrokken naar de al langer bestaande ‘Verklaring geen privé gebruik’. Deze verklaring is van toepassing bij werknemers die een auto van de zaak (geen bestelauto) rijden en deze niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privé doeleinden gebruiken. Ook hier geldt dat, bij veranderende omstandigheden, de werknemer verplicht is dit tijdig bij de belastingdienst te melden. En ook hier geldt: niet voldoen aan de verplichting richting de fiscus is een vergrijp waarvoor de eerdere genoemde, forse, boete kan worden opgelegd.
Let op dat de boete weliswaar in eerste aanleg aan de werknemer zal worden opgelegd, maar ook de werkgever kan met een boete worden geconfronteerd als het aan de werkgever te wijten is dat in strijd met de afgegeven verklaring is gehandeld en er dus wel degelijk privé gebruik is geweest.
Een andere situatie waarbij de nieuwe informatieverplichting is ingevoerd is die van de suppletie omzetbelasting. Deze suppletie is feitelijk een in de praktijk gegroeide gewoonte om achteraf alsnog de aangegeven omzetbelasting te herstellen via een suppletie op eerder ingediende aangiften. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is de suppletieaangifte formeel geen aangifte en is er ook eigenlijk geen wettelijke basis voor deze aanvulling. Niettemin neemt de belastingdienst in de praktijk de suppletieaangifte wel in behandeling, zij het als een (ambtshalve) bezwaar op een reeds ingediende aangifte.
Tot dusver was de suppletieaangifte altijd een vrijwillige actie van de belastingplichtige, maar daar is nu verandering in gekomen. Vanaf 1 januari is de suppletieaangifte verplicht. Wie een onjuistheid constateert in zijn btw-verplichtingen, dient deze onjuistheid zo snel mogelijk zelf te corrigeren. De belastingdienst heeft hiervoor op haar website een speciaal suppletieformulier geïntroduceerd en daar dient de belastingplichtige ook verplicht gebruik van te maken. De verplichting tot suppletie geldt niet alleen voor het lopende jaar, maar voor alle jaren waarover nog naheffing mogelijk is. Dit betekent dus: voor de afgelopen vijf jaar.
Wie niet voldoet aan zijn verplichtingen (dus geen suppletie in dient) kan te maken krijgen met een vergrijpboete die kan oplopen tot 100% van de na te heffen belasting. Overigens, wie wel voldoet aan zijn verplichtingen kan ook een boete krijgen, te weten een verzuimboete. De verzuimboete geldt immers wanneer niet, niet volledig of niet tijdig belasting wordt betaald. Aangezien dit bij een suppletie per definitie het geval is, zal een verzuimboete aan de orde kunnen zijn. Die boete is in principe echter lager dan de vergrijpboete.
Tot slot is er een nieuwe verplichting in de wet opgenomen voor erfgenamen die in een later stadium ontdekken dat de aangifte erfbelasting niet juist is geweest. De erfgenamen dienen dan zelf de belastingdienst van de juiste gegevens op de hoogte te brengen.
Deze verplichting zal in de praktijk waarschijnlijk minder vaak van toepassing zijn dan de andere gevallen, maar in de berichtgeving heeft juist deze wijziging de nodige aandacht gekregen. Hierbij zal wellicht hebben meegespeeld dat de aanleiding voor deze wijziging in de parlementaire behandeling een wat mysterieuze benaming heeft gekregen: de ‘Edelweissroute’. Het bleek in de praktijk voor te komen dat de aangifte erfbelasting werd verzorgd door een executeur-testamentair die daarbij bewust buitenlands vermogen ‘vergat’ aan te geven. Ook de erfgenamen werden in deze gevallen bewust onwetend gehouden, totdat de navorderingstermijn was verstreken. Dan kregen de erfgenamen alsnog een aangename verrassing in de vorm van hun deel in het buitenlands vermogen, waarover de belastingdienst dan dus geen erfbelasting meer kon heffen. Hoe vaak dit soort fraude daadwerkelijk voorkwam is niet helemaal duidelijk, maar de wetgever heeft wel duidelijke maatregelen genomen. Vanaf 1 januari dienen erfgenamen die te weten komen dat er sprake is geweest van een onjuiste aangifte erfbelasting ten aanzien van buitenlands vermogen, onmiddellijk de belastingdienst te informeren via het speciale formulier ‘Verklaring verbetering buitenlands vermogen’. Zo niet, dan kan de belastingdienst later een boete opleggen van 100% van de nageheven belasting. Bovendien geldt de normale navorderingstermijn van twaalf jaar in deze gevallen niet, dat wil zeggen er geldt helemaal geen beperkende termijn. De belastingdienst zal dus ook na het verstrijken van twaalf jaar nog erfbelasting kunnen heffen.
De belastingdienst hoeft door de invoering van deze nieuwe informatieverplichtingen in bepaalde gevallen dus niet meer actief om gegevens te vragen. De belastingplichtige zal, wil hij tenminste een boete ontlopen, zelf openheid van zaken moeten geven richting de belastingdienst. Rustig achterover leunen en wachten tot de belastingdienst in actie komt is in de genoemde gevallen dus niet meer aan de orde.
Alex van den Kerkhoff
deWaardKramer belastingadviseurs
a.vandenkerkhoff@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramernu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Wat u moet weten over ouderschapsverlof
Uw werknemer heeft recht op ouderschapsverlof om zo voor een bepaalde periode meer tijd en aandacht te besteden aan de opvoeding van de kinderen. Heeft uw werknemer dit recht volledig gebruikt, dan kan hij of zij u aansluitend verzoeken om een tijdelijke aanpassing van de werktijden.
Het recht op ouderschapsverlof
Ouderschapsverlof is een wettelijk recht. Het kan worden opgenomen totdat het kind 8 jaar wordt en geldt per kind. Het opnemen van ouderschapsverlof mag u dus niet weigeren. De werknemer moet wel minimaal 1 jaar bij u in dienst zijn.
Let op!
Sinds kort is in de wet opgenomen dat een werkgever een werknemer die ouderschapsverlof opneemt of wil opnemen, niet mag benadelen.
De werknemer bouwt tijdens de uren van het ouderschapsverlof geen vakantiedagen op. Tijdens het ouderschapsverlof hoeft u voor de verlofuren geen salaris uit te betalen, tenzij hierover andere afspraken zijn gemaakt. De uren die uw werknemer blijft werken, moet u uiteraard wel doorbetalen.
Duur van het ouderschapsverlof
Het aantal uren ouderschapsverlof waarop de werknemer recht heeft bedraagt 26 maal de arbeidsduur per week. Het verlof wordt per week opgenomen, gedurende een periode van 12 maanden en het aantal uren verlof is maximaal de helft van het aantal uren dat de werknemer per week werkt.
Tip:
De standaardverdeling van 50% werken en 50% verlof mag u niet weigeren. Nu kan het zijn dat uw werknemer wil afwijken van deze verdeling. Dit mag u wel weigeren, mits u hiervoor een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft.
Flexibele werktijden na ouderschapsverlof
Ook na het ouderschapsverlof is het soms moeilijk om een baan goed te combineren met de zorg voor jonge kinderen. Sinds kort kan de werknemer u daarom verzoeken om een tijdelijke aanpassing (bijvoorbeeld een jaar) van de werktijden. Het verzoek moet drie maanden voor afloop van het ouderschapsverlof bij u worden ingediend. U moet uiterlijk vier weken voordat het verlof afloopt hierover een beslissing nemen.
Emiel Reijerse
deWaardKramer belastingadviseurs
e.reijerse@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Nieuw fiscaal voordeel met innovatie en onderzoek!
Voor ondernemers in de inkomsten- en vennootschapsbelasting die vanaf 2012 investeren in de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten, geldt sinds dit jaar een gunstige regeling. Het gaat hier om de zogeheten Research en Developmentaftrek (RDA). Alleen ondernemers die al speur- en ontwikkelingswerk doen en een S&O-verklaring volgens de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) hebben, mogen gebruik maken van de RDA.
De WBSO verlaagt de arbeidskosten van speur-en ontwikkelingswerk. De RDA verlaagt de overige kosten en uitgaven. Het is een extra aftrekpost van de winst en bedraagt 40% van de kosten en uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan het S&O-werk. De lijst van kosten waarvoor u aftrek kunt krijgen is lang, maar er zijn wel degelijk zaken uitgesloten van fiscale steun. Wat wel of niet fiscale steun krijgt, luistert nauw.
Let op!
U kunt alleen kosten en uitgaven opvoeren voor de RDA-aftrek wanneer u de verplichtingen hiervoor na 1 januari 2012 bent aangegaan. Vanaf 1 mei aanstaande kunt u de RDA-aanvraag indienen. Dit kan alleen in combinatie met een WBSO-aanvraag.
Bedragen
Wanneer u een inschatting maakt van de projectkosten, houdt u er dan rekening mee dat een te hoge RDA-beschikking achteraf naar beneden wordt bijgesteld, maar dat een te lage inschatting van uw kosten niet wordt gecorrigeerd. U moet dus in ieder geval een bescheiden aanvraag vermijden!
Voordeel via belastingaangifte
Agentschap NL (www.agentschapnl.nl) handelt de aanvraag van uw WBSO en RDA af. Van het agentschap krijgt u een beschikking met daarop het RDA-bedrag. Dit bedrag kunt u als aftrekpost opvoeren in de aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting.
Tip
U kunt meerdere projecten in één aanvraag stoppen en indienen bij het agentschap. Let er op dat ze elkaar niet overlappen en dat u ze op tijd indient, dat wil zeggen minstens één kalendermaand voordat u begint met het S&O-project.
Emiel Reijerse
deWaardKramer belastingadviseurs
e.reijerse@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Afdrachtvermindering onderwijs uitgebreid.
Heeft u als werkgever een student-werknemer in dienst, dan komt u mogelijk in aanmerking voor de afdrachtvermindering onderwijs. U hoeft dan minder loonbelasting/premie volksverzekeringen af te dragen. Vanaf dit jaar is de afdrachtvermindering onderwijs uitgebreid met buitenlandse opleidingen. Maar, let op: niet alle buitenlandse opleidingen komen in aanmerking en er gelden aanvullende eisen.
Opleiding in het buitenland
Vanaf 1 januari 2012 is de afdrachtvermindering onderwijs ook van toepassing als uw werknemer een opleiding volgt in een EER-land (Europees Economische Ruimte). Hieronder vallen alle EU-landen, IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. De opleiding moet gelijkwaardig zijn aan een Nederlandse opleiding die in aanmerking komt voor de afdrachtvermindering onderwijs. Bovendien moet het gaan om buitenlandse opleidingen op mbo-niveau van de beroepsbegeleidende leerweg of niveau 1 en 2 van de beroepsopleidende leerweg. Daarnaast komen bepaalde opleidingen op hbo-niveau ook in aanmerking.
Let op!
Een buitenlandse opleiding is gelijkwaardig als deze in het buitenland is erkend en het niveau en de kwaliteit vergelijkbaar zijn met een Nederlandse opleiding.
Zonder verklaring geen afdrachtvermindering
De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) toetst of de buitenlandse opleiding gelijkwaardig is aan een Nederlandse opleiding. Is dit het geval, dan geeft de dienst een positieve verklaring af. U heeft deze verklaring nodig om de afdrachtvermindering onderwijs te kunnen toepassen. Een positieve beslissing van DUO moet u bewaren in uw loonadministratie.
Toetsingsformulier buitenlandse opleiding
De verklaring vraagt u aan met een speciaal aanvraagformulier Toetsing Buitenlandse opleiding. U vindt dit formulier terug op de website DUO-IB-Groep: http://www.ib-groep.nl/zakelijk/klantenservice/wet_vermindering_afdracht.asp.
Het volledig ingevulde formulier stuurt u op naar:
Dienst Uitvoering Onderwijs
Postbus 50105
9702 GE Groningen.
Naast dit formulier moet u ook diverse bewijsstukken meesturen. Het gaat in ieder geval om het bewijs van inschrijving van de buitenlandse onderwijsinstelling.
Tip:
Als uw aanvraag voldoet aan alle wettelijke eisen, dan mag u de afdrachtvermindering toepassen vanaf de datum dat DUO uw aanvraag in behandeling heeft genomen. Deze datum vindt u ook terug op de positieve beslissing van DUO.
Emiel Reijerse
deWaardKramer belastingadviseurs
e.reijerse@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Incassokosten aan banden
Als uw klant niet betaalt dan kunt u een incassobureau inschakelen, maar u kunt ook proberen om de vordering zelf te innen. De kosten die u maakt kunt u verhalen op uw klant. Vanaf 1 juli 2012 geldt er een maximale vergoeding voor deze incassokosten.
De vergoeding voor incassokosten wordt straks berekend als percentage van het bedrag dat uw klant aan u is verschuldigd. Het minimumbedrag is € 40. Zo mag bijvoorbeeld niet meer dan € 150 aan incassokosten worden gevraagd, als een rekening van € 1.000 niet is betaald. Voor vorderingen van € 1 miljoen en meer bedragen de incassokosten maximaal € 6.775. Bedrijven kunnen onderling wel afwijkende afspraken maken over de hoogte van de incassokosten.
Eerst een aanmaning
U kunt niet zomaar incassokosten in rekening brengen. Eerst zult u een brief moeten versturen waarin u de klant erop wijst dat hij de vordering, eventueel met incassokosten, moet betalen. Is de klant een consument dan moet u bovendien eerst een schriftelijke aanmaning versturen met een nakomingtermijn van 14 dagen.
Wettelijke rente
Naast een vergoeding voor incassokosten mag u ook wettelijke rente in rekening brengen over het nog te betalen bedrag. Dat kan al op het moment dat uw klant de betalingstermijn overschrijdt. Bent u geen betalingstermijn overeengekomen, dan geldt een termijn van 30 dagen.
Tip
Veel bedrijven hebben last van klanten die te laat betalen. Daarom worden betalingstermijnen vanaf 1 januari 2013 wettelijk vastgelegd. Nu bepaalt de wet nog dat de betalingstermijn niet onredelijk mag zijn. Straks moet binnen 30 dagen na de factuurdatum worden betaald, als tussen leverancier en klant niets is afgesproken. In een overeenkomst mag ook een langere betalingstermijn van 60 dagen worden afgesproken.
Emiel Reijerse
deWaardKramer belastingadviseurs
e.reijerse@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Echtscheiding en fiscus: wie krijgt de hypotheekrenteaftrek?
Bij een echtscheiding moet er heel wat geregeld worden. Of er nu sprake is van huwelijkse voorwaarden of gemeenschap van goederen: er is altijd wel een vermogen aanwezig dat verdeeld moet worden en die verdeling maken valt niet altijd mee. Neem bijvoorbeeld de verdeling van de echtelijke woning. Vaak zijn beide partners het er wel over eens wie in de woning blijft wonen en wie er vertrekt, maar blijkt de fiscale behandeling van de woning de zaak te compliceren. De hypotheekrenteaftrek en dan vooral het behoud ervan maakt het verdelen van de woning vaak onverwacht ingewikkeld.
De complicatie van de behandeling van de eigen woning bij echtscheiding zit in het feit dat, wanneer partners gaan scheiden, zij fiscaal geen gezamenlijke aangifte meer kunnen doen. Een echtscheiding betekent namelijk het einde van het fiscaal partnerschap. Juist ten aanzien van de eigen woning speelt dat fiscale partnerschap een belangrijke rol, want fiscale partners hebben de mogelijkheid om bepaalde onderdelen van de aangifte onderling te verdelen. Die verdeling mag dan fiscaal zo voordelig mogelijk plaatsvinden.
De aftrekpost eigen woning is zo’n vrij te verdelen onderdeel. De aftrekpost mag desgewenst volledig worden opgevoerd in de aangifte van de partner met het hoogste inkomen. Zo kan worden geprofiteerd van de aftrek van de hypotheekrenteaftrek tegen het hoogst mogelijke tarief.
De werkelijke eigendomsverhouding van de woning speelt hierbij geen rol. Als een echtpaar op huwelijkse voorwaarden is getrouwd en de woning is eigendom van de vrouw, kan de man toch alle hypotheekrenteaftrek in zijn aangifte opnemen als dit fiscaal het voordeligste is. Althans, zolang man en vrouw beiden fiscaal partner zijn en de woning voor hen beiden kwalificeert als eigen woning.
Door de scheiding eindigt het fiscale partnerschap en dient elke partner zelfstandig aangifte te doen over zijn eigen inkomen en vermogen. De hiervoor genoemde verdelingsmogelijkheid is dus niet meer aan de orde. In tegenstelling tot in de fiscale partnerschapsperiode gaat nu de feitelijke eigendomsverhouding van de woning weer een rol spelen. Beide partners kunnen slechts hun eigen aandeel in de woning in de aangifte opnemen en kunnen als gevolg daarvan ook slechts dat deel van de hypotheekrente aftrekken dat overeenkomt met het aandeel in de woning. Als er bijvoorbeeld sprake is van een eigendomsverhouding van 50/50, dienen de voormalige partners na de scheiding elk 50% van de woning aan te geven en kunnen zij ieder ook slechts 50% van de hypotheekrente aftrekken.
Dit kan een flink nadeel opleveren als de voormalige partners sterk uiteenlopende inkomens hebben. Waar tijdens het partnerschap alle rente bij degene met het hoogste inkomen mocht worden opgevoerd, zal dit nu beperkt worden tot maximaal zijn of haar aandeel in de woning. Om bij het voorbeeld van 50/50 te blijven: maximaal 50%. De resterende 50% zal bij de partner met het lagere inkomen in aanmerking moeten worden genomen en dus tegen een lager tarief aftrekbaar zijn.
Een extra complicerende factor in het verhaal is dat bij scheidingsgevallen normaliter één van beide partners de woning verlaat. Strikt genomen vervalt voor deze vertrekkende partner de kwalificatie ‘eigen woning’. Hij of zij woont immers niet meer in het huis, het staat hem niet meer als hoofdverblijf ter beschikking. Zijn of haar aandeel in de woning kan niet meer als eigen woning gelden. Omdat alleen voor een eigen woning aftrek van hypotheekrente mogelijk is, zou dit formeel gezien betekenen dat voor de vertrekkende partner geen aftrek meer mogelijk is. Gelukkig is voor deze (veel voorkomende) situatie in de wet een regeling getroffen om (in elk geval tijdelijk) nog aftrek van hypotheekrente mogelijk te maken voor degene die de woning verlaat.
Deze regeling wordt wel de ‘echtscheidingsregeling’ genoemd en voorziet in het behoud van de aftrek van hypotheekrente voor een periode van twee jaar na het vertrek uit de woning. De periode van twee jaar begint te lopen vanaf het moment dat beide partners duurzaam gescheiden gaan leven, ofwel het moment waarop één van beiden de deur definitief achter zich dicht trekt. In de praktijk wordt dit moment gekoppeld aan het moment waarop de vertrekkende partner zich laat uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie.
Na verloop van de periode van twee jaar zal het aandeel van de vertrekkende partner in de woning naar box 3 verhuizen, inclusief het corresponderende deel van de hypotheekschuld. Er is vanaf dat moment dus geen recht meer op aftrek van de hypotheekrente.
Een uitzondering kan worden gemaakt voor de situatie waarbij, binnen de periode van twee jaar, ook de andere partner de woning verlaat en deze vervolgens te koop wordt gezet. Mits de woning leeg staat, kunnen beide partners in deze situatie de verhuisregeling toepassen en blijft de aftrek van hypotheekrente nog even behouden. De verhuisregeling bepaalt immers dat wanneer een woning leeg staat en te koop staat, er nog gedurende drie jaar sprake kan zijn van een eigen woning. Voor de partner die als laatste vertrekt gaat die periode lopen vanaf het moment dat hij of zij de woning verlaat. Voor de reeds vertrokken partner geldt dit ook, alleen is deze al eerder vertrokken. De reeds verstreken periode sinds dat vertrek moet in mindering komen op de periode die de verhuisregeling biedt. Voor de tijd die dan overblijft kan de hypotheekrenteaftrek behouden blijven. Nu de wetgever de verhuisregeling voor 2011 en 2012 heeft verlengd van twee naar drie jaar kan hierin voor de reeds vertrokken partner nog een voordeel zitten.
Als immers de woning te koop wordt gezet aan het einde van de periode van de echtscheidingsregeling (dus na twee jaar), kan er voor de reeds vertrokken partner op grond van de verhuisregeling nog een jaar aftrek mogelijk zijn.
De echtscheidingsregeling van twee jaar biedt partners bij een scheiding vaak net dat beetje financiële lucht dat nodig is om de verdeling van de eigen woning te regelen. De aftrek van hypotheekrente en het fiscale voordeel dat daaruit voortvloeit is nu eenmaal vaak een bepalende factor bij de behandeling van de gezamenlijke eigen woning. De wetgever heeft dit ingezien en bijzondere regels opgesteld voor dit soort situaties, maar deze zorgen er wel voor dat de gevolgen vaak niet eenvoudig te overzien zijn. Goed fiscaal advies is in dit soort zaken dan ook van groot belang. Laat u daarom hierin bijstaan door uw adviseur.
Alex van den Kerkhoff
deWaardKramer belastingadviseurs
a.vandenkerkhoff@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer nu ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
Strengere CO2-normen: tijd voor een nieuwe auto?
Met ingang van 1 juli 2012 hanteert de overheid strengere CO2-grenzen voor de (zeer) zuinige auto met een bijtelling van 14% en 20%.
Leasemaatschappijen merken sinds de bekendmaking van deze maatregel een verhoogde vraag naar auto’s in deze bijtellingcategorieën. Veel mensen die ook privé rijden met hun auto van de zaak, dus bijtelling betalen, vinden het kennelijk verstandig om voor deze datum nog te profiteren van de gunstige CO2-normen. Is dat wijsheid?
Nieuwe CO2-grenzen
Per 1 juli valt een dieselauto met een maximale CO2-uitstoot van 91 gr/km (gram per kilometer) in de bijtellingcategorie van 14%. Dat is nu nog 95 gr/km. Voor benzineauto’s wordt dat maximum per deze datum op 102 gr/km gesteld tegenover nu 110 gr/km.
De maximumuitstoot voor de bijtelling van 20% is als volgt: per 1 juli 114 gr/km voor dieselauto’s (nu: 116) en 132 gr/km voor benzineauto’s (nu: 140).
Let op!
Vanaf 2013 worden de uitstootnormen elk jaar aangepast en nog strenger!
Wie het kenteken van een zuinige auto van de zaak vóór 1 juli 2012 op naam stelt, behoudt de lage bijtelling zolang de berijder of eigenaar niet wijzigt. Ook als occasion blijft een dergelijke auto echter interessant omdat de nieuwe eigenaar of gebruiker nog tot 1 juli 2017 de lage bijtelling mag rekenen.
Maar waarom nu die haast? Een auto, ook al is die voor uw onderneming, is geen impulsaankoop. Bovendien wijzen leasemaatschappijen bij aanschaf van een nieuwe auto terecht op het feit dat er meer factoren spelen dan alleen de kosten van de bijtelling. Denk aan de aanschafprijs en het leasetarief. Neem dus de tijd voor een weloverwogen keuze!
Tip
Autoproducenten introduceren dit jaar met grote waarschijnlijkheid nieuwe modellen die voldoen aan de nog strengere uitstootnormen. Ook als u na 1 juli een auto van de zaak aanschaft of least blijft een eenmaal vastgesteld bijtellingspercentage in ieder geval 60 maanden gelden.
Emiel Reijerse
deWaardKramer belastingadviseurs
e.reijerse@dewaardkramer.nl
Volg @deWaardKramer ook op Twitter.
Bij de samenstelling van de berichtgeving is naar uiterste betrouwbaarheid en zorgvuldigheid gestreefd, maar deWaardKramer kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele onjuistheden en de gevolgen hiervan.
